Nieuws

Belastingplan 2024: wijzigingen in box 3 van de inkomstenbelasting

In het op Prinsjesdag gepresenteerde Belastingplan 2024 is een aantal wijzigingen aangekondigd in box 3 van de inkomstenbelasting. Zo wordt een aantal verfijningen aangebracht op de Overbruggingswet. Geen onderdeel van het Belastingplan maar wel belangrijk: het wettelijke box 3-stelsel wordt vanaf 2027 grondig herzien. Tegelijkertijd is er een ontwikkeling die de huidige Overbruggingswet wellicht weer buitenspel zet. In dit artikel lichten we de wijzigingen in box 3 van de inkomstenbelasting toe. Ook besteden we aandacht aan de geplande verhoging van het box 3-tarief en de ontwikkelingen rondom het concept-wetsvoorstel voor de box 3-heffing vanaf 2027.

Update: op 27 oktober heeft de Tweede Kamer ingestemd met het Belastingplan 2024. Hierbij heeft de Kamer besloten om het tarief van box 3 vanaf 2024 verder te verhogen van 34% naar 36%. Daarnaast wordt de vrijstelling in box 3 voor groene beleggingen vanaf 1 januari 2025 verlaagd van ongeveer € 65.000 naar € 30.000 (voor partners geldt het dubbele).

Herstelwetgeving

Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad beoordeeld dat het wettelijke box 3-stelsel ongeldig was. Voor de jaren tot en met 2022 is herstelwetgeving ingevoerd en uitgevoerd. Vanaf 2023 regelt de Overbruggingswet de belastingheffing in box 3. Het is de bedoeling dat het stelsel vanaf 2027 grondig wordt herzien, zodat een stelsel ontstaat waarin belasting wordt geheven op basis van het werkelijke rendement. En dus niet langer over fictieve, veronderstelde rendementen, zoals sinds 2001 het geval is.

Verfijningen Overbruggingswet

De Overbruggingswet kent drie categorieën bezittingen en schulden, met ieder een fictief rendement: bank- en spaartegoeden, overige bezittingen en schulden. Een aantal bezittingen was aanvankelijk geschaard onder de overige bezittingen, terwijl dat onredelijk is. Daarom worden deze zaken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023 aangepast.

Aandeel in het reservefonds van de VvE

Appartementseigenaren zijn doorgaans verplicht periodiek te storten in het reservefonds van de Vereniging van Eigenaren (VvE). De VvE pot dit geld onder andere op om toekomstige uitgaven te bekostigen. Zolang het geld niet is uitgegeven, hebben appartementseigenaren een aandeel in het reservefonds. Dit kwalificeert als overige bezitting in box 3, terwijl de VvE het geld aanhoudt op een bankrekening.

Het Belastingplan 2024 regelt dat het aandeel in het reservefonds van de VvE niet langer kwalificeert als overige bezitting, maar als banktegoed. Het fictieve rendement daarop is aanzienlijk lager. Helaas wordt dit niet geregeld voor de Herstelwet voor de jaren tot en met 2022. Bezwaar maken tegen eerdere aanslagen is vooralsnog niet nodig, in afwachting van proefprocedures.

Gelden op derdenrekeningen bij notarissen en deurwaarders

Geld dat is gestald op een derdenrekening bij een notaris of deurwaarder, kwalificeerde tot op heden als overige bezitting. Een belastingplichtige had formeel namelijk geen aandeel in de bankrekening, maar een vorderingsrecht op de notaris of deurwaarder. Daardoor werd een hoog fictief rendement verondersteld.

Het Belastingplan 2024 regelt dat de gelden die zijn gestald op de derdenrekening bij de notaris of de deurwaarder niet langer gelden als overige bezitting, maar als banktegoed. Het fictieve rendement daarop is aanzienlijk lager. Helaas wordt ook dit niet geregeld voor de Herstelwet voor de jaren tot en met 2022. Ook in dit geval is bezwaar maken tegen eerdere aanslagen vooralsnog niet nodig.

Vorderingen en schulden tussen partners of tussen ouders en minderjarige kinderen

Fiscale partners kunnen een onderlinge vordering-schuld hebben. Omdat aan een vordering een hoger positief rendement werd toegerekend dan het fictieve negatieve rendement op de schuld, ontstond per saldo een positief inkomen. Hetzelfde geldt voor vorderingen of schulden van minderjarige kinderen die ouders moeten opnemen in de eigen aangifte.

Met de komst van het Belastingplan 2024 vallen dergelijke onderlinge vorderingen en schulden tegen elkaar weg. Deze hoeft u niet langer op te nemen in box 3. Voorwaarde is wel dat zowel de vordering als de schuld in beginsel thuishoort in box 3, en dus niet in box 1 of box 2. Dit wordt ook geregeld met ingang van 2023, maar dus niet voor de jaren tot en met 2022.

Niet-indexatie heffingsvrij vermogen

Het heffingsvrij vermogen is het vermogen waarover iemand geen belasting betaalt in box 3. In 2023 bedraagt dit € 57.000 per partner. Normaal gesproken worden deze bedragen jaarlijks geïndexeerd. Om budgettaire redenen vindt voor 2024 geen indexatie plaats.

Verhoging geplande box 3-tarief

Vorig jaar is besloten om het box 3-tarief stapsgewijs te verhogen. Voor 2023 bedraagt het tarief nog 32%. In 2024 en 2025 zou het tarief telkens 1%-punt stijgen. Om budgettaire redenen is nu besloten om het tarief voor 2024 al op te trekken naar 34%, dus een jaar eerder. Het tarief voor 2025 blijft vooralsnog voorzien op 34%.

Overbruggingswet ook ongeldig?

Op 18 september 2023 concludeerde de advocaat-generaal, de belangrijkste adviseur van de Hoge Raad, dat ook de Overbruggingswet niet door de beugel kan en dus ongeldig moet worden verklaard. Althans, voor zover het de belastingheffing over overige bezittingen en schulden betreft. Dat zou opnieuw betekenen dat de overheid rechtsherstel moet bieden. Of het zover komt, moet nog blijken uit de definitieve uitspraak van de Hoge Raad. Die wordt over ongeveer een half jaar verwacht. Op dit moment legt de Belastingdienst – als het goed is – geen definitieve aanslagen inkomstenbelasting op waarin box 3-inkomen is begrepen. Op deze manier kan het oordeel van de Hoge Raad worden afgewacht.

Vanaf 2027 belastingheffing over werkelijk rendement

Het is de bedoeling dat vanaf 2027 nieuwe wetgeving van toepassing is, waarbij in box 3 belasting wordt geheven over de werkelijke resultaten. Die grondslag voor de heffing bestaat dan enerzijds uit de netto-rendementen van vermogensbestanddelen, en anderzijds uit de waardeverandering van de vermogensbestanddelen.

Netto-rendementen

De jaarlijkse netto-rendementen bestaan uit de werkelijke opbrengsten minus de werkelijke kosten. Dit kan ook een verlies zijn. De netto-rendementen van alle vermogensbestanddelen wordt opgeteld en gezamenlijk belast. Voor een vakantie- of tweede woning die een belastingplichtige minimaal 70% zelf gebruikt, mag het inkomen worden vastgesteld op basis van een forfaitair rendement op basis van de WOZ-waarde.

Waardeveranderingen

Naast de jaarlijkse rendementen wordt ook belasting geheven over de waardeverandering van een vermogensbestanddeel. Denk hierbij aan een pand dat meer waard wordt of een beursaandeel dat in waarde stijgt of daalt. Daarbij worden twee systemen geïntroduceerd. Voor vermogensbestanddelen waarbij het vermogen ‘vastzit’ in bijvoorbeeld stenen of aandelen in een familiebedrijf, vindt belastingheffing over de waardestijging pas plaats als de winst wordt verzilverd bij verkoop (of uiterlijk bij overlijden). Voor alle overige bestanddelen wordt verondersteld dat het te gelde maken makkelijker gaat en dat daarom jaarlijks belasting kan worden geheven over de waardeaangroei. Ook hierbij geldt dat waardedalingen aftrekbaar zijn als verlies.

Meer weten?

Wilt u meer weten over de plannen in het Belastingplan 2024 dat op Prinsjesdag werd gepresenteerd? Via onze Belastingplan 2024 kennisbank houden we u op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en belangrijke informatie. Heeft u vragen of wilt u advies over wat het Belastingplan 2024 voor u betekent? Neem dan gerust contact met ons op. Onze adviseurs staan graag voor u klaar met ondersteuning en persoonlijk advies.

mr. Sebastian van Wijk RB

010 - 31 38 562

06 - 20 79 51 42